De stoel was kapot. Met een felle zwaai was die tegen het plafond aangekwakt
en op de grond gevallen. Drie poten gebroken en de achterleuning verbogen.
In het plafond zat een gat. Hijzelf stond er verbouwereerd bij te kijken.
"Hij werd nooit zo snel kwaad", had hij gisteren nog gezegd.
De constatering "Jij kunt niet tegen
kritiek" was teveel voor hem geweest. Hij was opgesprongen, had zijn vest
uitgegooid en de stoel gegrepen.
Aan zijn wijsvinger zat een streepje bloed.
Hij werd inderdaad nooit zo snel kwaad. Hij had het jarenlang opgespaard.
|